Zijn vader zet de zwarte dame op e8. Nog niet zo lang geleden zou hij daar iets van hebben gezegd. Nu zet hij zijn eigen dame op e1.
‘Zo,’ zegt zijn vader. ‘De dames staan er klaar voor.’
Hij knikt.
Het schaakbord staat tussen hen in op een tafel met een blad van licht hout. Naast het bord staan twee bekers koffie. Die van zijn vader is al halfleeg.
In de tuin van het tehuis rijdt een man in een rolstoel voorbij.
‘Jij begint,’ zegt zijn vader.
Hij speelt e4.
Zijn vader denkt even na en zet zijn e-pion twee velden vooruit.
‘Italiaans,’ zegt hij.
Hij laat het.
Ze spelen verder. Na een paar zetten vraagt zijn vader: ‘Speelden wij vaak?’ Hij kijkt zijn zoon aan.
‘Best wel.’
Zijn vader knikt.
Een verpleegkundige komt langs en zet een glas water neer.
‘Gaat het een beetje, meneer?’
‘Ik win,’ zegt zijn vader.
De verpleegkundige lacht.
‘Dan zit het wel goed.’
Wanneer ze weg is, pakt zijn vader een pion op. Hij houdt hem even vast en zet hem terug op hetzelfde veld. Daarna doet hij een andere zet.
Halverwege de partij staat de zoon een paard en twee pionnen voor.
Zaterdagmiddagen aan de keukentafel. Zijn vader met een krant naast het bord. Een asbak vol peuken. Het geluid van een stuk dat wordt neergezet.
‘Nog een paar jaar,’ had zijn vader gezegd toen hij twaalf was. ‘Dan win je misschien eens.’
Het werden er zeven. Zijn vader heeft drie dagen niet met hem willen schaken.
‘Ben ik wit?’ vraagt zijn vader.
‘Nee.’
‘Juist.’
Hij beweegt zijn toren óver andere stukken naar een veld aan de andere kant van het bord. Hij laat hem niet los. Dan kijkt hij zijn zoon aan.
‘Dat mag zeker niet.’
‘Nee.’
Zijn vader zet de toren terug.
‘Jammer.’
Ze drinken van hun inmiddels lauwe koffie. Zijn vader kijkt naar buiten waar een verpleegster een kleed uitslaat.
‘Hoe oud ben jij nu?’ vraagt hij.
Hij noemt zijn leeftijd.
‘Dat meen je niet.’ Zijn vader lacht zacht. ‘Dan ben ik oud geworden.’
Hij zet een loper neer op een veld waar die direct geslagen kan worden.
Mat in vier, denkt de zoon. Hij laat de loper staan.
Zijn vader schuift een pion een veld vooruit. Daarna leunt hij achterover.
‘Volgens mij sta ik gewonnen.’
De zoon kijkt naar het bord. De loper is nog steeds ongedekt. De koning staat ingesloten.
Eén damezet en het is voorbij. Zijn hand blijft even boven de dame zweven. Dan speelt hij een pion.
Zijn vader knikt tevreden. ‘Je was er bijna ingetrapt.’
Ze spelen verder.
Tien minuten later staat het eerder geslagen zwarte paard weer op het bord. Zijn vader denkt na. Dan schuift hij het naar voren. ‘Schaakmat!’
De zoon kijkt naar het bord. Het is niet eens schaak. Zijn vader wacht. Zijn glimlach verschijnt al. Hij leunt achterover. ‘Jij dacht natuurlijk: die ouwe pak ik wel even in.’
‘Ja.’
Zijn vader kijkt nog eens naar het bord. Dan pakt hij de stukken op.
Eerst de koning.
Daarna de dames.
De zwarte dame zet hij op e1.
De witte op e8.
‘Jij begint.’
Buiten rijdt dezelfde man in de rolstoel langs het raam.